Vragen over de Wsw

Voor meer inhoudelijke informatie over de Wsw zelf kunt u de volgende instanties raadplegen:

CEDRIS (landelijke vereniging voor sociale werkgelegenheid en re-integratie)
tel. 030 - 290 6800
Internetsite: www.cedris.nl
e-mail: info@cedris.nl

Ministerie SZW
Site: www.rijksoverheid.nl/participatiewet
Vragen over: de Wsw en de Participatiewet.
Contact: www.rijksoverheid.nl/ministerie SZW/contact
telefoon: 070 - 333 4444
Vragen over: (voorgenomen) wet- en regelgeving op alle beleidsterreinen van SZW; voorlichtingsmateriaal; algemeen verbindend verklaren van CAO's.

VNG (Vereniging Nederlandse Gemeenten)
Voor informatie en beleidsinhoudelijke vragen:
VNG Informatiecentrum:
telefoon: 070 - 373 83 93 (op werkdagen van 8.15 tot 17.15 uur)
e-mail: info@vng.nl
Site: www.vng.nl


Vragen over de Wsw-statistiek 2018/2019

Algemeen

1) De gegevens voor de Wsw-statistiek bevatten persoonsgegevens. Zijn er voorzieningen getroffen voor privacybescherming
2) Met ingang van 1 januari 2009 hebben gemeenten te maken met het persoonsgebonden budget (PGB). Mensen die met een Sw-indicatie op de wachtlijst stonden, konden met behulp van het PGB op een begeleid werkenplaats geplaatst worden. Hoe worden deze personen in de statistiek verwerkt?
3) Welke controles voert Panteia uit op het bestand wat ik stuur?

Administratieve gegevens

4) Dienen de vervallen kenmerken nog wel of niet geregisteerd te worden?
5) Bij de kenmerken "betalende gemeente" en "gemeente van inschrijving" moet een cbs-code worden ingevuld. Hoe kom ik aan die codes?
6) Klopt het dat UWV geen handicapcodes vaststelt en hoe kan ik dan de handicapcode voor de statistiek aanleveren?
7) Bij het kenmerk "verantwoordelijke gemeente / WGR-verband" moet ik een UO-nummer invullen, Waar vind ik die?
8) Een gemeente maakt nu nog deel uit van een schap maar wordt zelfstandig. Hoe registreer ik dit?

Indicatiebesluit

9) Komen de waarden 2 en 3 bij kenmerk 16 (besluit doelgroep) ná 1-1-2005 niet meer voor in de registratie van het Sw-bedrijf?
10) Vanaf 1-1-2005 komen de waarden 2 en 3 bij kenmerk 16(besluit doelgroep) alleen voor bij een dienstbetrekking van voor 1-1-2005?
11) Moet de bestaande code "licht" bij kenmerk 17 (besluit arbeidshandicap) bij dienstbetrekkingen van vóór 1-1-2005 blijven staan?
12) Een persoon met een 'oude' dienstbetrekking (vóór 1998) heeft een herindicatie op eigen verzoek voor begeleid werken gekregen. Tevens zijn door UWV 'nieuwe' 3-cijferige handicapcodes vastgesteld. Moet het Sw-bedrijf dan 'oude' 2-cijferige of 'nieuwe' 3-cijferige handicapcodes registreren en aanleveren?
13) Klopt het dat mensen die voor 1998 al een dienstbetrekking hebben als het ware een onbeperkt geldige (doelgroep)indicatie hebben?
14) Van welke mensen moeten indicatiegegevens worden aangeleverd?
15) Bij een herindicatie boven- / onderzijde wordt door UWV geen handicapcode vastgesteld. Hoe kan ik dan een handicapcode registreren?

Dienstbetrekking / arbeidsovereenkomst begeleid werken

16) Wanneer een persoon van een dienstbetrekking is overgegaan naar begeleid werken (zonder uitstroom uit het werknemersbestand), moeten dan in navolgende meetperiodes nog de (oude) dienstbetrekkinggegevens worden geleverd?
17) Moet een dienstbetrekking altijd beëindigd worden bij verhuizing naar een gemeente in een ander WGR-verband?
18) Is er een definitie van externe detachering (die het verschil met interne detachering weergeeft)?
19) Wat is een groepsdetachering (minimum aantal personen noodzakelijk om te spreken over een groep)?
20) Een persoon met een dienstbetrekking of begeleid werken, die woont in een zogenoemde 'buitengemeente', stroomt uit. Wat moet er bij bestemming worden ingevuld?
21) Kan iemand op eigen verzoek ontslag nemen uit een dienstbetrekking met de wens om vervolgens in aanmerking voor begeleid werken te komen? Moet hier dan een herindicatie worden aangevraagd?
22) Hoe hanteer ik op een juiste wijze de detacheringscodes en datum wijziging detachering?
23) Hoe worden de kenmerken Overeengekomen aantal contracturen, datum wijziging overeengekomen aantal contracturen, percentage uitbetaald loon en datum stopzetting uitbetaling loon ('slaper') in de Wsw-statistiek geregistreerd?

Wijzigingen per 1-1-2015

24) Wat is de belangrijkste wijziging in de Wsw per 1-1-2015?
25) Gemeenten gaan er abusievelijk vanuit dat er geen herindicaties meer aangevraagd hoeven te worden na 1-1-2015. Is dit nog ergens in de regeling terug te vinden?
26) Volgens Cedris hoeft de Sw-realisatie (indicator 3 van de SISA) vanaf 1-1-2015 niet meer te worden verantwoord. De Sw-realisatie wordt dan uit de Statistiek gehaald. Is dit juist?
27) Hoe krijgt een Sw-bedrijf inzicht in de Sw-realisatie en hoe berekent Panteia dit? Moet dit ook door een accountant worden gereviewd? Waarom is er gekozen voor het loslaten van de verantwoording door middel van SiSa en CBS, terwijl menig Sw-bedrijf / gemeente hiervoor reeds een zeer nauwkeurige administratieve organisatie op heeft ingericht, voorzien van accountantscontroles. De Wsw-statistiek kent deze mate van nauwkeurigheid (nog) niet. Dit is een lastenverzwaring en brengt extra kosten met zich mee om de Wsw-statistiek op dit niveau van verantwoording te krijgen. Hoe kijkt het Ministerie hier tegen aan?
28) In hoeverre wordt de Wsw-statistiek inzake financiële verrekeningen leidend?
29) Met het berekenen van arbeidsjaren wordt uitgegaan van het aantal contracturen, gedeeld door de normwerktijd en het resultaat vervolgens vermenigvuldigd met de arbeidshandicapfactor. Het kenmerk ‘normwerktijd’ ontbreekt echter in de Wsw-statistiek. Dit levert een probleem op bij de opgave van begeleid werkers, aangezien zij een arbeidsovereenkomst hebben bij een werkgever die een afwijkende normwerktijd kan hebben dan die gebruikelijk is bij een Wsw-dienstbetrekking. Is hier per abuis geen rekening mee gehouden? Volgt hier een correctie op?
30) Wat wordt bedoeld met betalende gemeente? Als uitvoeringsorganisatie van meerdere gemeenten worden we ermee geconfronteerd dat een medewerker in een gemeente woont die niet tot die gemeenten behoort. Wie is dan de betalende gemeente?
31) Iemand werkt bij een Sw-bedrijf en woont in een zogenoemde "buitengemeente". Persoon stroomt uit naar het vrije bedrijf maar wil terugkomen in de Wsw via de terugkeergarantie. De persoon kan dan alleen terecht bij de gemeente waar de persoon woont en het daarbij behorende Sw-bedrijf dat een ander is dan waar hij voorheen werkte. Geldt die terugkeergarantie dan ook voor het nieuwe Sw-bedrijf?
32) Geldt voor ex-medewerkers die (met terugkeergarantie) op de wachtlijst eind 2014 zijn gekomen, ook dat ze mogen 'wachten' op een nieuw dienstverband in de toekomst?
33) Een Sw-bedrijf heeft werknemers in dienst bij het GR die al jaren niet in een van de GR-gemeentes wonen. Volgens een schrijven van het Gemeenteloket SZW moeten die toegewezen worden aan een van de GR-gemeenten als betalende gemeente. Moet dat al geregeld zijn vanaf 01-01-2015 en als zodanig in de statistiek van het eerste halfjaar 2015 verwerkt worden?
34) Er komen veel vragen binnen over het kenmerk “Betalende gemeente” in de Wsw-statistiek over het 1e halfjaar van 2015. Hoe kan dit kenmerk verduidelijkt worden?
35) Hoe registreer ik vanaf het 2e halfjaar 2015 de records van de personen zonder Wsw-plaatsing?
36) Hoe hanteer ik op een juiste wijze de nieuwe bestemmingscodes vanaf 2015?
37) Hoe ligt het verband tussen Reden ontslag en Bestemming na uitstroom uit het werknemersbestand?
38) Hoe ziet de methodiek eruit voor de vulling van het kenmerk “Betalende gemeente” in de Wsw-statistiek over het 2e halfjaar van 2015 en voor 2016?

Wijzigingen per 1-1-2017

39) Per 1-1-2017 is de verdeelsystematiek van het Wsw-budget verandert: wat is de inhoud van het verdeelmodel van de Wsw?
40) Wat zijn de afspraken gemaakt tussen SZW, VNG en Cedris aangaande de Wsw-statistiek (2016 en) 2017?
41) Hoe zien de veranderingen in de Wsw-statistiek 2017 eruit voor wat betreft de toevoeging van 6 nieuwe kenmerken?

1) De gegevens voor de Wsw-statistiek bevatten persoonsgegevens. Zijn er voorzieningen getroffen voor privacybescherming?
Voor de uitvoering van de Wsw-statistiek heeft Panteia een privacyprotocol opgesteld dat voldoet aan de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Hierin staat aangegeven dat bestanden beveiligd moeten worden met een wachtwoord. Ook is hierin een aantal procedures beschreven met betrekking tot het beheer en gebruik van de statistiekgegevens. Zo zullen de gegevens nooit aan derden ter beschikking worden gesteld, tenzij het ministerie van SZW (formeel eigenaar van de gegevens) hiertoe uitdrukkelijk opdracht verleent. Overigens bevatten de bestanden die worden aangeleverd voor de Wsw-statistiek geen NAW-gegevens (naam en adres). De bestanden bevatten wel de BSN nummers, de geboortedatums en woonplaats van de deelnemers. Deze zijn echter niet zonder meer terug te voeren tot personen. Wanneer de gegevens van de statistiek worden overgedragen aan het ministerie worden de BSN nummers versleuteld. Alleen het CBS kan, op basis van haar wettelijk vastgestelde taakstelling, beschikken over een Wsw-statistiekbestand met BSN nummers.
Panteia is gecertificeerd voor en werkt volgens de informatiebeveiligingsnorm ISO 27001 en ISO 20252. Hierdoor zal bij de aanlevering van bestanden geëist worden dat de bestanden beveiligd zijn en zal Panteia zelf in de terugkoppeling aan Sw-bedrijven en gemeenten, als zich daar BSN's in bevinden, ook met beveiligde bestanden werken.
Verder houdt Panteia zich als lid van de brancheorganisaties MOA en VBO aan de Gedragscode voor Onderzoek en Statistiek.

2) Met ingang van 1 januari 2009 hebben gemeenten te maken met het persoonsgebonden budget (PGB). Mensen die met een Sw-indicatie op de wachtlijst stonden, konden met behulp van het PGB op een begeleid werkenplaats geplaatst worden. Hoe worden deze personen in de statistiek verwerkt?
Het feit dat er gebruik gemaakt is van een PGB is geen kenmerk in de Wsw-statistiek en kan dus ook niet aan Panteia verantwoord worden. Het feit dat iemand begeleid werker is, moet wel verantwoord worden in de Wsw-statistiek. Bij voorkeur gebeurt dit door het Sw-bedrijf waar de betreffende gemeente bij is aangesloten. Recent hebben, naar aanleiding van de oproep aan gemeenten voor het controleren op volledigheid van de aanlevering van Wsw-ers van de Staatssecretaris in haar brief van 5 december 2016, een aantal gemeenten begeleid werkers die werkzaam waren via de pgb-constructie aangedragen voor de Wsw-statistiek: deze zijn allemaal alsnog ondergebracht bij het van toepassing zijnde Sw-bedrijf.

3) Welke controles voert Panteia uit op het bestand wat ik stuur?
Na binnenkomst van een bestand van een Sw-bedrijf of gemeente wordt de kwaliteit hiervan door Panteia met een gestandaardiseerd controleprogramma in SPSS vastgesteld. Het resultaat hiervan wordt aan de betreffende aanlverende organisatie toegezonden (Proloog- en Foutenrapportbestand). U kunt een overzicht van deze controles hier downloaden.

4) Dienen de vervallen kenmerken nog wel of niet geregisteerd te worden?
Vervallen kenmerken worden niet meer aangeleverd. Als het softwarepakket de mogelijkheid tot registratie van die kenmerken blijft bieden, kan er zelf voor gekozen worden deze gegevens voor eigen gebruik te blijven registreren.

5) Bij de kenmerken "betalende gemeente" en "gemeente van inschrijving" moet een cbs-code worden ingevuld. Hoe kom ik aan die codes?
Bijgaand een overzicht van CBS gemeentecodes 2018 die u kunt downloaden. De wijzigingen 2019 kunt u hier zien. De gemeentelijke herindelingen per 1-1-2019 worden in de statistiek meegenomen per 1-7-2019 in het bestand 2019-1.

6) Klopt het dat UWV geen handicapcodes vaststelt en hoe kan ik dan de handicapcode voor de statistiek aanleveren?
De situatie is als volgt: bij een herindicatie wordt de beslissing genomen of een persoon nog tot de doelgroep behoort. Het vaststellen van de handicap in de vorm van een ICIDH code (International Classification of Impairments Disabilities and Handicaps) is geen doel op zich, maar kan gebruikt worden als instrument om te bepalen of iemand nog tot de doelgroep behoort. Wanneer UWV niet beschikt over een medisch dossier waarin de ICIDH code is opgenomen, en het is op grond van andere criteria c.q. informatie evident dat iemand wel of niet verder tot de doelgroep behoort, zal UWV geen arts inschakelen om de exacte ICIDH code vast te stellen. In dat geval is er dus geen ICIDH-code. Echter: UWV zal in alle gevallen (ook bij het ontbreken van een ICIDH code) wel een handicapcode registreren volgens de coderingen van de Wsw-statistiek (code 110 t/m 270). Deze codering is opgenomen in de informatiestroom van UWV naar gemeenten.

Let op: bij sommige softwarepakketten kan men niet de handicapcode volgens de statistiek registreren, maar alleen de ICIDH code. Bij de aanmaak van het statistiekbestand wordt deze ICIDH code automatisch omgezet naar de bijbehorende handicapcode voor de statistiek. Hierover overlegt Panteia met de softwareleveranciers. Als tijdelijke oplossing kunt u overwegen zelf een ICIDH code te kiezen die bij de betreffende handicapcode voor de statistiek hoort (zie het document "Te registreren kenmerken deel 2").

7) Bij het kenmerk "verantwoordelijke gemeente / WGR-verband" moet ik een UO-nummer invullen, Waar vind ik die?
Bijgaand een lijst met de UO-nummers.

8) Een gemeente maakt nu nog deel uit van een schap maar wordt zelfstandig. Hoe registreer ik dit?
Het komt voor dat een gemeente uit een WGR-verband stapt en vervolgens geldt als 'zelfstandige gemeente':
1) Wanneer er voor de werknemers die behoren bij de betreffende gemeente niets verandert (ze blijven net als voorheen bij hetzelfde Sw-bedrijf werken) en het Sw-bedrijf levert nog steeds de gegevens aan voor de Wsw-statistiek, kan voor de Wsw-statistiek volstaan worden met een wijziging naar het nieuwe UO-nummer (in kenmerk 2) bij de betrokken werknemers. Het zelfde geldt voor de Geen_plaatsingsrecords.
2) Het kan zijn dat de nieuwe zelfstandige gemeente haar werknemers zelf in dienst neemt. In dat geval wordt deze gemeente een nieuwe aanleveraar voor de Wsw-statistiek met een nieuw UO-nummer. Panteia stelt een nieuw organisatienummer beschikbaar. Ook dit kan tevens gelden voor de Geen-plaatsingsrecords.
3) Het kan zijn dat een gemeente uit een WGR-verband stapt en zich aansluit bij een ander WGR-verband, waarbij het daarbij behorende Sw-bedrijf de gegevens aanlevert. Deze werknemers krijgen het UO-nummer van het nieuwe Sw-bedrijf. Voor de Geen_plaatsingsrecords geldt hetzelfde.
In het tweede en derde geval streeft de Wsw-statistiek naar zo weinig mogelijk overnames: het oude Sw-bedrijf levert in het halfjaar van de overgang de records van deze werknemers niet meer aan en de nieuwe gemeenteorganisatie of het nieuwe Sw-bedrijf leveren deze werknemers aan met hun oorspronkelijke begindatums dienstverband zoals die bij het oude Sw-bedrijf golden. Er is namelijk geen sprake van uitstroom bij het ene Sw-bedrijf en vervolgens instroom bij een gemeente / Sw-bedrijf en zeker geen sprake van uitstroom uit en instroom in het werknemersbestand: de dienstverbanden lopen door.

9) Komen de waarden 2 en 3 bij kenmerk 16 (besluit doelgroep) ná 1-1-2005 niet meer voor in de registratie van het Sw-bedrijf?
Indien bij een herindicatie sprake is van boven- of onderzijde, moet het Sw-bedrijf dit wel registreren en aanleveren voor de statistiek op basis van de gegevens die UWV aan het Sw-bedrijf levert. Zolang het dienstverband doorloopt blijven deze records deel uitmaken van de statistiek. Na ontslag volgt er geen Geen_plaatsingsrecord in het halfjaar daarna (geen geldige indicatie!).

10) Vanaf 1-1-2005 komen de waarden 2 en 3 bij kenmerk 16 (besluit doelgroep) alleen voor bij een dienstbetrekking van voor 1-1-2005?
Nee. Zoals gezegd bij de vorige vraag levert het Sw-bedrijf bij herindicaties altijd het doelgroepbesluit aan, dus ook de onder- en bovenzijde indicaties. Deze herindicaties zullen zowel betrekking hebben op mensen met een dienstbetrekking van voor 2005 als mensen met een dienstbetrekking vanaf 2005.
Overigens zal men met een dergelijk doelgroepbesluit in principe uitstromen uit de Wsw, tenzij er nog geen ontslag wordt verleend. Nadat men is uitgestroomd, komt de persoon niet meer voor in de statistiek ("geen geldige indicatie meer".).

11) Moet de bestaande code "licht" bij kenmerk 17 (besluit arbeidshandicap) bij dienstbetrekkingen van vóór 1-1-2005 blijven staan?
Ja, dat klopt voor zover er inmidels geen herindicatie heeft plaatsgevonden. De arbeidshandicap "licht" zal nauwelijks meer voor komen. Bij (1e indicaties en) herindicaties na 1-1-2005 (kon) kan de arbeidshandicap "licht" niet meer worden toegekend.

12) Een persoon met een 'oude' dienstbetrekking (vóór 1998) heeft een herindicatie op eigen verzoek voor begeleid werken gekregen. Tevens zijn door UWV 'nieuwe' 3-cijferige handicapcodes vastgesteld. Moet het Sw-bedrijf dan 'oude' 2-cijferige of 'nieuwe' 3-cijferige handicapcodes registreren en aanleveren?
Alhoewel volgens de regelgeving bij de herindicatie op eigen verzoek (voor begeleid werken) alleen de indicatie "wel/niet geschikt voor begeleid werken" wordt afgegeven, en in de wet is vastgelegd dat de 'oude werknemers' niet mogen worden geïndiceerd, schrijft het indicatieprotocol voor dat de geschiktheid voor begeleid werken bepaald wordt vanuit de handicapcodes. UWV zal hierbij de handicapcode opnieuw vaststellen - en dus ook registreren -, wanneer de voormalige handicapcode niet langer relevant is. Het ligt voor de hand dat de nieuwe 3-cijferige handicapcode(s) ook in de Wsw-statistiek worden geregistreerd.

13) Klopt het dat mensen die voor 1998 al een dienstbetrekking hebben als het ware een onbeperkt geldige (doelgroep)indicatie hebben?
Mensen die voor 1998 zijn begonnen in een dienstbetrekking hoeven voor het voortzetten van die dienstbetrekking niet geherindiceerd te worden volgens de nWsw. Zij hebben als het ware een indicatie 'voor het leven' en blijven na uitstroom uit een Wsw-dienstverband gevolgd worden binnen de Sw (Geen_plaatsingsrecord).
Als de gemeente meent dat de arbeidsbekwaamheid zo is verbeterd dat de persoon in staat geacht wordt tot reguliere arbeid (en zich passende arbeid voordoet), kan een ontslagaanvraag voorgelegd worden aan UWV. Men neemt vervolgens een besluit over het ontslag, niet over de doelgroep of de arbeidshandicap.

14) Van welke mensen moeten indicatiegegevens worden aangeleverd?
Van alle mensen over wie in de meetperiode een herindicatiebesluit is genomen, moeten indicatiegegevens worden aangeleverd (ongeacht of het gaat om een herindicatie of een herindicatie op eigen verzoek). Dat is dus inclusief alle herindicaties in die meetperiode waarbij het doelgroepbesluit 'bovenzijde' of 'onderzijde' luidt.
Van mensen die in de meetperiode tot het werknemersbestand behoren of een geldig Geen_plaatsingsrecord bezitten, hoeven alleen de meest recente (her-)indicatiegegevens te worden geleverd voor zover het (her)indicaties volgens de nieuwe wet betreft.
Van mensen die voor 1998 al een dienstbetrekking hadden ('oude' doelgroep), hoeven geen indicatiegegevens te worden geleverd, tenzij het gaat om een herindicatie op eigen verzoek voor onderzijde of voor begeleid werken van ná 1-1-1998. Bij deze mensen moet wel altijd de handicapcode (kenmerk 9) worden geregistreerd. In het overzicht "Te registreren kenmerken deel 1"
is aangegeven welke gegevens bij welke groep mensen van toepassing zijn.

15) Bij een herindicatie boven- / onderzijde wordt door UWV geen handicapcode vastgesteld. Hoe kan ik dan een handicapcode registreren?
Indien het een herindicatie onderzijde betreft, blijft (blijven) in dit geval de voorgaande handicapcode(s) staan. Daarop is het oordeel 'onderzijde' gebaseerd.
Indien het een herindicatie bovenzijde betreft, kan in dit geval ook handicapcode 888 (geen handicap) geregistreerd worden. Deze code 888 is alleen gereserveerd voor gebruik bij een herindicatie bovenzijde.

16) Wanneer een persoon van een dienstbetrekking is overgegaan naar begeleid werken (zonder uitstroom uit het werknemersbestand), moeten dan in navolgende meetperiodes nog de (oude) dienstbetrekkinggegevens worden geleverd?
Nee. Bij een wisseling van werkvorm zonder uitstroom uit het werknemersbestand dienen de gegevens van beide werkvormen in de huidige meting te worden geleverd (van afgesloten Dbt en nieuw BW). Bij een volgende meting hoeven, indien er geen nieuwe wisseling van werkvorm heeft plaatsgevonden, in dit geval alleen de BW-gegevens te worden geleverd. Bij twee wisselingen binnen één meting (halfjaar) zijn twee records nodig omdat dan de gegevens van de eerste dienstbetrekking niet overschreven mogen worden.

17) Moet een dienstbetrekking altijd beëindigd worden bij verhuizing naar een gemeente in een ander WGR-verband?
Nee. Zowel 'oude' als 'nieuwe' werknemers kunnen verhuizen zonder dat de dienstbetrekking beëindigd wordt. Van werknemers die voor 1998 een dienstbetrekking hadden, werd bij het ingaan van de nieuwe wet de dienstbetrekking gecontinueerd. Zij hoefden geen ingezetene te zijn van het WGR-verband / zelfstandige gemeente waar zij werkzaam waren. Personen die na 1-1-1998 in het werknemersbestand werden opgenomen, konden alleen worden geplaatst door het WGR-verband / zelfstandige gemeente waar zij ingezetene van waren op het moment van plaatsing. Na verhuizing mag de persoon bij het Sw-bedrijf blijven werken (alleen wijziging gemeente van inschrijving en eventueel betalende gemeente) of via een naadloze overname bij het Sw-bedrijf gaan werken van het WGR-verband / zelfstandige gemeente waar hij / zij ingezetene van is geworden (uitstroom i.v.m. overdracht naar andere gemeente).
Let op: vanaf 1-1-2015 verandert bij verhuizing de woongemeente, maar de betalende gemeente kan mee veranderen, maar hoeft niet mee te veranderen. Raadpleeg hiervoor ook het document "Instructies voor bijzondere situaties".

18) Is er een definitie van externe detachering (die het verschil met interne detachering weergeeft)?
Bij externe detachering is de werkgever een reguliere werkgever (overheid of bedrijfsleven). Interne detachering vindt plaats op een afdeling van het Sw-bedrijf.
Detachering bij een ander Sw-bedrijf geldt niet als externe detachering.
Een individuele detachering is één (of maximaal twee) Wsw-er(s) die bij een reguliere werkgever (overheid of bedrijfsleven) gedetacheerd is (of zijn).
Het "werken op locatie" (WOL) valt onder 'beschutte' plaatsing (geen (groeps)detachering, code 1). Het onderscheid tussen (groeps)detachering en beschutte plaatsing wordt gemaakt op basis van waaruit de begeleiding van de medewerkers op de werkvloer plaatsvindt: beschut betekent dat de begeleiding op de werkvloer plaatsvindt vanuit het Sw-bedrijf.

19) Wat is een groepsdetachering (minimum aantal personen noodzakelijk om te spreken over een groep)?
Een groepsdetachering is een zelfstandige werkeenheid Wsw-ers die bij een reguliere werkgever (overheid of bedrijfsleven) gedetacheerd is. De minimum groepsgrootte is daarbij 3 personen. De begeleiding op de werkvloer vindt plaats vanuit het bedrijf of de instelling (en niet vanuit het Sw-bedrijf).

20) Een persoon met een dienstbetrekking of begeleid werken die woont in een zogenoemde "buitengemeente", stroomt uit. Wat moet er bij bestemming worden ingevuld?
Indien iemand woonachtig in een "buitengemeente" uitstroomt, heeft dat geen effect op het gebruik van het kenmerk Bestemming: dezelfde bestemmingscodes worden gebruikt. Wellicht zal bijvoorbeeld de uitkeringssituatie niet bekend zijn igv een overdracht aan een "buitengemeente": gebruik dan code 8 (= overige bestemmingen).
Iemand uit een "buitengemeente" die uitstroomt, verdwijnt uit de Wsw-statistiek bij het Sw-bedrijf waar de persoon in dienst was en wordt niet meer gevolgd in de Sw door dat Sw-bedrijf. Het dossier wordt overgedragen aan de "buitengemeente".
De persoon die uitstroomt, komt dus niet meer terug in de statistiek met een Geen_plaatsingsrecord bij het Sw-bedrijf waar hij/zij is uitgestroomd, maar door de overdracht van het dossier komt deze persoon, als de overdracht goed is verlopen, met een Geen_plaatsingsrecord bij het Sw-bedrijf waar de "buitengemeente" toe behoort, in de statistiek voor.

21) Kan iemand op eigen verzoek ontslag nemen uit een dienstbetrekking met de wens om vervolgens in aanmerking voor begeleid werken te komen? Moet hier dan een herindicatie worden aangevraagd?
Men hoeft geen ontslag uit een dienstbetrekking te nemen om in aanmerking te komen voor begeleid werken. Iedereen mag in principe begeleid gaan werken mits hij/zij daartoe in staat is en er een begeleid werkenplaats beschikbaar is. Een positief advies hierover van UWV is sinds 1 januari 2006 niet meer noodzakelijk.
Een overgang van een dienstbetrekking naar begeleid werken vindt (aansluitend) zonder ontslag uit het werknemersbestand plaats.

22) Hoe hanteer ik op een juiste wijze de detacheringscodes en datum wijziging detachering?
In de Wsw-statistiek wordt het gegeven of een Wsw-er gedetacheerd is of op een beschutte plaatsing werkt, weergegeven in één variabele (detacher): code 2 en 3 geven aan dat iemand Individueel of als Groep is gedetacheerd; code 1 is Geen detachering maar wordt vertaald naar Beschutte plaatsing.
Naast het feit dat onder andere het Ministerie zeer geïnteresseerd is in het aantal gerealiseerde detacheringen, is het gedetacheerd zijn of een Beschutte plaatsing van belang voor het doelgroepregister uit de Banenafspraak. Het UWV maakt onder andere gebruik van de gegevens van de Wsw-statistiek om het doelgroepenregister te vullen. Iedere wijziging in de Detacheringscode betekent een wijziging van Grondslag in het doelgroepregister en betekent een verschil of iemand vanuit een Beschutte plaatsing naar een baan gaat of vanuit een Detachering.
Ook de vorige Staatssecretaris van SZW heeft aangedrongen op met name een correcte invulling van de Wsw-statistiek tav het kenmerk Detachering. Dit naar aanleiding van onder andere geconstateerde fouten binnen de Arbeidsmarktregio's Groot Amsterdam en Friesland.
Het verzoek ligt er dan ook om de variabele Detachering met meer zorg dan voorheen te registreren en te zorgen voor consistentie in de halfjaarlijks aangeleverde codes. Nu worden in de statistiek veel verschillen tussen de halfjaren gesignaleerd, die deels terecht zijn (detacheringen zijn vaak maar kortdurend), maar ook de nodige twijfels oproepen zoals een Individuele detachering op de laatste dagen van december als de dienstbetrekking op dat moment aanvangt en het volgend halfjaar staat er Geen detachering (= Beschutte plaatsing) geregistreerd. Met name het gebruik van code 1 (of code 2) als ‘vul’-waarde leidt tot onterechte mutaties in detacheringsvorm.
Het gaat in principe bij detacheringen om de situatie aan het einde van de meetperiode (31-12-2017, 30-6-2018, enz.) of op het moment van het einde van de dienstbetrekking: dus altijd dit gegeven invullen volgens de laatst bekende situatie. Een veel voorkomend misverstand is het standaard weergeven van de detacherinsvorm Geen_detachering in geval van einde dienstbetrekking, omdat dat de vorm is op het einde van de meetperiode. Igv einde dienstbetrekking altijd de detacheringsvorm weergeven die geldt op de einddatum.
Door toevoeging aan de statistiek van het kenmerk datum wijziging detacheringsvorm kan nu met een datum aangeven worden wanneer de verandering van detacheringsvorm heeft plaatsgevonden binnen de meetperiode en binnen de dienstbetrekking. Hierdoor moet een wijziging van detacheringsvorm dus ook onderbouwd worden met een datum binnen die meetperiode en de lopende dienstbetrekking. Detacheringsvormen die bij het ingaan van de meetperiode plaatsvinden, worden voor het hele halfjaar geregistreerd met als wijzigingsdatum de 1e dag van het halfjaar (1-7-2017, 1-1-2018, enz.). Voor de aanlevering aan het LDR van UWV is immers bij wijziging altijd een wijzigingsdatum noodzakelijk binnen het halfjaar: 1-7-2017 t/m 31-12-2017, 1-1-2018 t/m 30-6-2018.
Aangezien het een wijziging van detachering betreft binnen de lopende dienstbetrekking, kan de wijzigingsdatum detachering nooit gelijk zijn aan de begindatum van de dienstbetrekking of aan de einddatum.
Ingeval van twee wijzigingen van detacheringsvorm binnen het halfjaar wordt de laatste wijziging geregistreerd met de laatste wijzigingsdatum.

23) Hoe worden de kenmerken Overeengekomen aantal contracturen, datum wijziging overeengekomen aantal contracturen, percentage uitbetaald loon en datum stopzetting uitbetaling loon ('slaper') in de Wsw-statistiek geregistreerd?
In de Wsw-statistiek wordt het aantal contracturen bij zowel dienstbetrekkingen als begeleid werken geregistreerd. Dit is het aantal uur dat contractueel is overeengekomen. Indien iemand (tijdelijk) minder werkt dan dit aantal, blijft het aantal contracturen hetzelfde maar wordt dit verminderde aantal uren aangegeven in het percentage uitbetaald loon. Dit percentage is normaliter 100%, tenzij iemand door minder te werken een bepaald percentage van het loon ontvangt. Zit iemand in het tweede jaar van zijn ziekte en is 100% ziek, dan zal het percentage uitbetaald loon 70% zijn. Indien iemand voor bijvoorbeeld 50% ziek is, wordt het percentage uitbetaald loon bijvoorbeeld 85%. Het aantal contracturen verandert in dergelijke gevallen niet.
Onder invloed van de volgende oorzaken kan het percentage uitbetaald loon lager zijn dan 100%:
- 2e jaar ziekte;
- seniorenregeling.
Zo worden degenen met een stopzetting van de loonuitbetaling, de zogenoemde ‘slapers’, geregistreerd met het contractuele aantal uren, maar is bij ‘slapers’ het percentage uitbetaald loon 0%.
Er kan sprake zijn van 'slapers' in de volgende gevallen:
- persoon is meer dan 2 jaar ziek;
- persoon bevindt zich (langdurig) in detentie;
- om disciplinaire reden;
- vanwege werkweigering van de Wsw-er;
- persoon ontvangt een IVA-uitkering;
- op last van de kantonrechter;
- loonstop tot nader orde.
Het is niet de bedoeling om door middel van het percentage uitbetaald loon de deeltijdfactor aan te geven, zoals iemand die 32 uur werkt, een percentage van 80% mee te geven. Indien het contract 32 uur omvat, is het percentage uitbetaald loon in principe ook gewoon 100% (voor 32 uur).
Door toevoeging aan de statistiek van de kenmerken datum wijziging overeengekomen aantal contracturen en datum stopzetting uitbetaling loon ('slaper') kan nu met een datum aangeven worden wanneer binnen het halfjaar en binnen het dienstverband de verandering in het aantal contracturen of in de loondoorbetaling heeft plaatsgevonden anders dan op de laatste dag van de meetperiode. Hierdoor moeten deze wijzigingen onderbouwd worden met een datum binnen die meetperiode en binnen het dienstverband. Een ander aantal contracturen of een stopzetting van de loondoorbetaling die bij het ingaan van de meetperiode plaatsvinden of op de begindatum van het dienstverband, worden gewoon voor het hele halfjaar en de hele duur van het dienstverband geregistreerd zonder wijzigingsdatum.
Voor de nauwkeurige berekening van de realisatie over een (half)jaar is bij wijziging altijd een wijzigingsdatum noodzakelijk binnen het halfjaar en binnen het dienstverband: 2-7-2017 t/m 31-12-2017, 2-1-2018 t/m 30-6-2018.
Aangezien het een wijziging van contracturen of loonstopzetting betreft binnen het lopende dienstverband, kan de wijzigingsdatum contracturen en loonstopzetting nooit gelijk zijn aan de begindatum van het dienstverband of aan de einddatum. De wijzigingsdatums worden ingevuld bij een doorlopend dienstverband. Ingeval van einde dienstverband en aansluitend een nieuw dienstverband (bijv. dienstbetrekking naar arbeidsovereenkomst begeleid werken) wordt geen wijzigingsdatum geregistreerd, maar volstaan einddatum ‘oude’ dienstverband en begindatum ‘nieuwe’ dienstverband.
Ingeval van twee wijzigingen van contracturen of loonstopzetting binnen het halfjaar wordt de laatste wijziging geregistreerd met de laatste wijzigingsdatum.

24) Wat is de belangrijkste wijziging in de Wsw per 1-1-2015?
De Wsw-statistiek richt zich op het volgen van het zittende bestand per 31-12-2014: er komt niemand meer bij; uitgangspunt is dus alle Wsw-ers die op 31-12-2014 een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst begeleid werken hadden.
Alleen die mensen die op 31-12-2014 in een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst werkten behoren tot het zittend bestand. Alleen voor die groep kan de gemeente, als zij na 31-12-2014 hun dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst kwijtraken, eventueel weer een nieuwe dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst op basis van de Wsw aanbieden.
Mensen die op 31-12-2014 op de wachtlijst stonden, kan geen dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst meer worden aangeboden na 31-12-2014. Van rechtswege is hun indicatie vervallen. Zij maken geen deel meer uit van de Wsw(-statistiek). Deze personen zijn wel al aangeleverd voor het LDR / Banenafspraak. Hun Wsw-indicatie is omgezet in een Banenafspraak-indicatie. Totdat de geldigheidsduur van hun Wsw-indicatie is vervallen, blijven zij opgenomen in het LDR. Er bestaat onduidelijkheid of het verdwijnen uit het LDR dan onmiddelijk plaatsvindt of dat de regel "T+2" dan nog geldt.
Personen uit het zittend bestand blijven deel uit maken van de Wsw-statistiek behalve als zij:
met pensioen gaan / hun AOW-leeftijd hebben bereikt;
zijn overleden;
niet meer beschikken over een geldige indicatie:
- de geldigheidsduur van hun indicatie is verlopen;
- de indicatie is door de gemeente ingetrokken (volgens art. 12 lid 1 van de Wsw): zie hieronder;
- de indicatie is door de gemeente ingetrokken ingevolge een vaststellings-/beëindigingsovereenkomst bij het uit dienst gaan;
- de persoon heeft bij een herindicatie “onder- of bovenzijde” gekregen en behoort niet meer tot de doelgroep van de Wsw;
- de persoon is op het moment van ontslag uit een Wsw-dienstverband niet woonachtig in Nederland.
Een gemeente kan de nog geldige indicatie van een (ex-)werknemer intrekken wanneer:
- betrokkene geen medewerking verleent aan de herindicatie;
- betrokkene vrijwillig ontslag neemt;
- betrokkenen vrijwillig afziet van de indicatie (bijvoorbeeld na 2 jaar arbeidsongeschiktheid).
Het blijft zaak dat gemeenten (lees in de praktijk veelal de Sw-bedrijven) tijdig herindicaties aanvragen.
Personen die het werknemersbestand verlaten anders dan vanwege pensioen, overlijden of geen geldige indicatie meer, blijven deel uit maken van de Wsw-statistiek: de volgende meting verschijnen zij in de statistiek met een Geen_plaatsingsrecord met alleen administratieve, persoons- en indicatiegegevens; zij kunnen geherindiceerd worden en eventueel in aanmerking komen voor een nieuw Wsw-dienstverband.
Ingeval van uitstroom uit het werknemersbestand ten gevolge van verhuizing blijft deze persoon niet bij het ‘oude’ Sw-bedrijf terugkomen in de statistiek, maar verschijnt in de statistiek bij het ‘nieuwe’ Sw-bedrijf met een record met alleen administratieve, persoons- en indicatiegegevens (overname) of aangevuld met de nieuwe dienstbetrekking- of begeleid werkengegevens (naadloze overname).
De wet geeft gemeenten de mogelijkheid om mensen met een geldige Wsw-indicatie die tot het zittend bestand behoren, na het wegvallen van een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst, een nieuwe dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst te bieden. Dit is echter geen verplichting.

25) Gemeenten gaan er abusievelijk vanuit dat er geen herindicaties meer aangevraagd hoeven te worden na 1-1-2015. Is dit nog ergens in de regeling terug te vinden?
Personen maken geen deel meer uit van de Wsw-statistiek als zij niet meer beschikken over een geldige indicatie: de indicatie is verlopen, de indicatie is door de gemeente ingetrokken of de persoon heeft bij herindicatie “onder- of bovenzijde” gekregen. Het blijft dus zaak dat gemeenten (lees in de praktijk veelal de Sw-bedrijven) tijdig herindicaties aanvragen.
De verantwoordelijkheid voor het aanvragen van herindicaties van mensen uit het zittend bestand, ook als zij geen Wsw-dienstverband meer hebben, vloeit voort uit de wet. In de artikelen met betrekking tot de herindicatie verandert alleen de doelgroep tot mensen die op 31-12-2014 een dienstverband hadden op basis van de Wsw. In de wet is hiertoe de definitie van geïndiceerden aangepast.

26) Volgens Cedris hoeft de Sw-realisatie (indicator 3 van de SISA) vanaf 1-1-2015 niet meer te worden verantwoord. De Sw-realisatie wordt dan vanuit de Wsw-statistiek berekend. Is dit juist?
In 2015 en 2016 moesten gemeenten zich nog via SiSa verantwoorden over de jaren 2013 en 2014.
Met ingang van budgetjaar 2015 ontvangen gemeenten via een integratie-uitkering een ontschot budget, waarvan ook de middelen voor de Wsw onderdeel uitmaken. Hierover vindt geen SiSa verantwoording plaats. De Wsw statistiek is SiSa gaan vervangen.
Voor de jaren 2015 en 2016 is vanuit respectievelijk de Wsw-statistiek 2014 en 2015 de realisatie berekend per woongemeente. Deze is leidend geworden voor de budgetverdeling voor respectievelijk 2015 en 2016 naar woongemeente.
Voor de budgetverdeling 2017 (en verder) geldt een nieuw verdeelmodel en is gebruik gemaakt van de Wsw-statistiek 2016. Hieruit is de gemiddelde realisatie naar betalende gemeente berekend. De budgetverdeling heeft vervolgens plaatsgevonden naar de laatste betalende gemeente: dit is de laatste betalende gemeente in een jaar waar iemand zijn Wsw-dienstverband mee had: de laatste betalende gemeente in geval van uitstroom of de laatste betalende gemeente in geval van een overname, waarbij het gedeelte van de realisatie bij de eerdere betalende gemeente wordt meegeteld bij de laatste betalende gemeente.

27) Hoe krijgt een Sw-bedrijf inzicht in de Sw-realisatie en hoe berekent Panteia dit? Moet dit ook door een accountant worden gereviewd?
Waarom is er gekozen voor het loslaten van de verantwoording door middel van SiSa en CBS, terwijl menig Sw-bedrijf / gemeente hiervoor reeds een zeer nauwkeurige administratieve organisatie op heeft ingericht, voorzien van accountantscontroles. De Wsw-statistiek kent deze mate van nauwkeurigheid (nog) niet. Dit is een lastenverzwaring en brengt extra kosten met zich mee om de Wsw-statistiek op dit niveau van verantwoording te krijgen. Hoe kijkt het ministerie hier tegen aan?

Panteia berekent op basis van de Wsw-statistiek in mei van jaar "T" de gemiddelde realisatie over het jaar "T-1". Panteia berekent daarbij op basis van twee halfjaarbestanden van jaar "T-1" de gemiddelde realisatie per betalende gemeente per jaar (onder gebruikmaking van de begin- en einddatums van het dienstverband, het aantal uren in het contract (deeltijdfactor), de arbeidshandicapcategorie en het eventueel 'slaper'-zijn) vanuit 12 eindemaandstanden en een 12-maandsgemiddelde. Panteia maakt daarbij gebruik van de methode die hier wordt omschreven. Samen met een herijking van de blijfkansen vormt dit de basis voor de verdeling van de middelen voor jaar "T".
De accountant hoeft de berekening door Panteia van de gemiddelde realisaties niet te reviewen. Wel kan het raadzaam zijn voor een gemeente (cq. Sw-bedrijf) om extra aandacht te schenken aan de leveringen van de Wsw-statistiek en de kwaliteit daarvan. De vorige Staatssecretaris heeft gemeenten en Sw-bedrijven voor de gevolgen van eventuele fouten in statistiek gewaarschuwd: "Eventuele fouten in de statistiek kunnen leiden tot grote (financiële) consequenties -zowel voor gemeenten als het rijk- en bij de banenafspraak voor werkgevers." VNG, Cedris en het kabinet adviseren gemeenten / Sw-bedrijven om de statistiek extra te laten controleren door een accountant. Vanuit Cedris wordt gewerkt aan een mogelijk protocol hiervoor.

28) In hoeverre wordt de Wsw-statistiek inzake financiële verrekeningen leidend?
De financiering van de Wsw wijzigt. Gemeenten krijgen voor de uitvoering van de Wsw geen taakstelling meer opgelegd, maar de beschikking over een ontschot budget uitgekeerd via een integratie-uitkering (gemeentefonds). Anders dan vóór 1-1-2015 hoeven gemeenten zich niet te verantwoorden over de realisatie van deze taakstelling. SiSa is daarmee dus ook komen te vervallen. SZW heeft in overleg met VNG besloten de verdeling van de middelen, bij wegvallen van SiSa, te baseren op de Wsw-statistiek. Gemeenten zijn, en waren dat al, zelf verantwoordelijk voor de betrouwbaarheid van de statistiek. Daaraan wijzigt niets. SZW en VNG hebben deze keuze derhalve ook gemaakt vanuit het idee dat dit eerder een lastenverlichting (geen SiSa) dan een lastenverzwaring betreft.
Voor de jaren 2015 en 2016 worden de middelen nog verdeeld op basis van de woonplaats van de Wsw-werknemer in respectievelijk 2014 en 2015. De wet regelt geen onderlinge verrekening van middelen, omdat de middelen ontschot beschikbaar worden gesteld aan de gemeente. Gemeenten moeten onderling afspraken maken over verrekening van middelen. Voor 2017 worden de middelen verdeeld op basis van het nieuw aan de Wsw-statistiek toegevoegde kenmerk Betalende gemeente. SZW en VNG hebben een bestuurlijke afspraak gemaakt dat de middelen met ingang van 2017 verdeeld worden op basis van de gemeente die het dienstverband is aangegaan en dus directe financiële verantwoordelijkheid heeft. Hiertoe is de Wsw-statistiek uitgebreid met het kenmerk Betalende gemeente. Bij verhuizing, waarbij het dienstverband blijft voorduren, blijven daarmee de middelen bij de verdeling terechtkomen bij de werkgever.

29) Met het berekenen van arbeidsjaren wordt uitgegaan van het aantal contracturen, gedeeld door de normwerktijd en het resultaat vervolgens vermenigvuldigd met de arbeidshandicapfactor. Het kenmerk ‘normwerktijd’ ontbreekt echter in de Wsw-statistiek. Dit levert een probleem op bij de opgave van begeleid werkers, aangezien zij een arbeidsovereenkomst hebben bij een werkgever die een afwijkende normwerktijd kan hebben dan die gebruikelijk is bij een Wsw-dienstbetrekking. Is hier per abuis geen rekening mee gehouden? Volgt hier correctie op?
Bij de berekening van de deeltijdfactor gaat Panteia, in overleg met en op verzoek van SZW, VNG en Cedris, uit van een gemiddeld dienstverband van 36 uur. Ook al zijn er cao’s waar mensen op basis van de Wsw werkzaam zijn, met een werkweek van 40 uur, is een voorgestelde normwerktijd van 38 uur (gemiddelde tussen 36 en 40 uur) voor begeleid werkers niet doorgezet vanwege een onbedoelde extra vermindering van het totaal aan realisaties binnen een jaar.

30) Wat wordt bedoeld met betalende gemeente?
Als uitvoeringsorganisatie van meerdere gemeenten worden we ermee geconfronteerd dat een medewerker in een gemeente woont die niet tot die gemeenten behoort. Wie is dan de betalende gemeente?
SZW en VNG hebben een bestuurlijke afspraak gemaakt dat de middelen met ingang van 2017 verdeeld worden op basis van de gemeente die het dienstverband is aangegaan en dus directe financiële verantwoordelijkheid heeft. Hiertoe is de Wsw-statistiek uitgebreid met het kenmerk Betalende gemeente. Bij verhuizing, waarbij het dienstverband blijft voorduren, blijven daarmee de middelen bij de verdeling terechtkomen bij de werkgever. De betalende gemeente is de gemeente die het initiële dienstverband is aangegaan of de overeenkomst met de werkgever heeft gesloten bij begeleid werken.
Wanneer de werkgever een GR betreft en iemand verhuist binnen de GR, dan wordt de nieuwe gemeente de betalende gemeente.
Wanneer iemand verhuist naar een gemeente buiten de GR, is de laatste woongemeente binnen de GR de betalende gemeente.

31) Iemand werkt bij een Sw-bedrijf en woont in een zogenoemde "buitengemeente". Persoon stroomt uit naar het vrije bedrijf maar wil terugkomen in de Wsw via de terugkeergarantie. De persoon kan dan alleen terecht bij de gemeente waar de persoon woont en het daarbij behorende Sw-bedrijf dat een ander is dan waar hij voorheen werkte. Geldt die terugkeergarantie dan ook voor het nieuwe Sw-bedrijf?
De voorrangsgarantie heeft betrekking op de garantie om weer binnen de kaders van de Wsw te mogen werken. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de woongemeente om voor deze persoon een aangepaste werkplek te realiseren. Waar die plek vervolgens gerealiseerd wordt, is aan de gemeente. Uiteraard kan betrokken Wsw-er daarbij zijn wensen kenbaar maken. Uiteindelijk gaat het er om dat voor hem/haar een passende plek gerealiseerd wordt.

32) Geldt voor ex-medewerkers die (met terugkeergarantie) op de wachtlijst eind 2014 zijn gekomen, ook dat ze mogen 'wachten' op een nieuw dienstverband in de toekomst?
Nee. Alleen die mensen die op 31-12-2014 in een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst werken, behoren tot het zittend bestand. Voor die groep kan de gemeente als zij na 31-12-2014 hun dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst kwijtraken, weer een nieuwe dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst op basis van de Wsw aanbieden.
Mensen die op 31-12-2014 op de wachtlijst stonden, zijn hun Wsw-indicatie kwijtgeraakt en er kan geen dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst meer worden aangeboden na 31-12-2014.

33) Een Sw-bedrijf heeft werknemers in dienst bij het GR die al jaren niet in een van de GR-gemeenten wonen. Volgens een schrijven van het Gemeenteloket SZW moeten die toegewezen worden aan een van de GR-gemeenten als betalende gemeente. Moet dat al geregeld zijn vanaf 01-01-2015 en als zodanig in de statistiek van het eerste halfjaar 2015 verwerkt worden?
Ja. In de huidige praktijk komt het regelmatig voor dat een Wsw-werknemer in de ene (buiten)gemeente woont en in de andere gemeente werkt. In de Wsw was geregeld dat de woongemeente de rijksbijdrage overmaakte aan de gemeente waar de werknemer een dienstverband heeft. Met de inwerkingtreding van de Participatiewet is deze verplichting vervallen. In plaats daarvan kunnen gemeenten onderlinge afspraken maken over het overhevelen van middelen vanuit de buitengemeenten. SZW heeft met VNG en Cedris de volgende afspraken hiervoor gemaakt:
m.i.v de verdeling van de middelen voor 2017 worden deze gebaseerd op de gemeente waar de Wsw-er werkt (in dienst is, een dienstverband bij heeft) en niet meer op de woongemeente;
de Wsw-statistiek wordt m.i.v. 1 januari 2015 hiervoor uitgebreid met het kenmerk "Betalende gemeente";
voor de overgangsjaren 2015-2016 is een richtinggevend bedrag vastgesteld op basis waarvan gemeenten voor deze jaren hun gebruikelijke verrekening met de buitengemeenten kunnen voortzetten.
Veel Wsw-ers hebben bij een GR hun dienstverband. In het geval dat de Wsw-er niet in één van de in de GR-deelnemende gemeenten woont, dient de GR met de betrokken gemeenten te bepalen welke gemeente voor deze Wsw-er als betalende gemeente in de Wsw-statistiek wordt opgenomen.
Aangezien de regel voor de verdeling voor 2017 wordt, dat de betalende gemeente de gemeente is waar de Wsw-er zijn dienstverband mee heeft, gaat dit alles in 2016 spelen. Voor de Wsw-statistiek 2016 wordt de methodiek van bepaling van de betalende gemeente de hier geschetste wijze van toewijzen van buitenwerkers / -woners aan GR-gemeenten per 1-1-2016.

34) Er komen veel vragen binnen over het kenmerk “Betalende gemeente” in de Wsw-statistiek over het 1e halfjaar van 2015. Hoe kan dit kenmerk verduidelijkt worden?
Even wat punten van aandacht:
De betalende gemeente is de gemeente waar betrokkene zijn dienstbetrekking heeft of die tbv diens arbeidsovereenkomst begeleid werken een subsidie verstrekt.
Het gaat hierbij om de gemeente die de subsidie van SZW krijgt en deze uitbetaalt.
Door het wegvallen van de oude regeling is er geen grondslag meer voor de oude werkwijze bij verhuizingen van “T-2”.
Igv verhuizingen geldt de stelregel “T-1”: door het meteen verwerken in jaar "T-1" van verhuizingen in zowel de "gemeente van inschrijving" als de "Betalende gemeente" wordt dit meegenomen in de berekening van de realisatie over jaar "T-1" en geldt dus als basis voor de budgetverdeling voor jaar "T". Dus verhuizingen in 2017 tellen mee voor de nieuwe betalende gemeente in 2017 en voor de budgetverdeling voor 2018.
Miv de verdeling van de middelen voor 2017 worden deze gebaseerd op de gemeente waar de Wsw-er werkt (en niet meer op de woongemeente).
Dit brengt voor de Wsw-ers woonachtig in een gemeente aangesloten bij het GR-verband / SW-bedrijf geen verschil: betalende gemeente en woongemeente zijn hetzelfde.
Echter, voor de Wsw-er die niet in één van de GR-deelnemende (in het SW-bedrijf deelnemende) gemeenten woont, dient de GR met de deelnemende gemeenten te bepalen welke gemeente voor deze Wsw-er als betalende gemeente in de Wsw-statistiek wordt opgenomen.
In 2015 (de Wsw-statistieken 2015-1 en 2015-2) kan nog gelden dat de betalende gemeente de gemeente is waar het SW-bedrijf de factuur naar toe stuurt (oude situatie maar dan o.b.v. T-1), maar kan ook al gekozen worden voor de regel dat de betalende gemeente de gemeente is waar de Wsw-er werkt.
Vanaf 2016 (de statistieken 2016-1 en 2016-2) geldt alleen nog de regel dat de betalende gemeente de gemeente is waar de Wsw-er werkt. De Wsw-statistiek 2016 geldt immers als de basis voor de verdeling van de middelen voor 2017.

35) Hoe registreer ik vanaf het 2e halfjaar 2015 de records van de personen zonder Wsw-plaatsing?
Personen die het werknemersbestand verlaten anders dan vanwege pensioen, overlijden of geen geldige indicatie meer, blijven deel uit maken van de Wsw-statistiek: de volgende meting verschijnen zij in de statistiek met een Geen_plaatsingsrecord met alleen de administratieve, persoons- en indicatiegegevens ingevuld. De gegevens over dienstbetrekking, begeleid werken en uitstroom worden gevuld met een "0".

36) Hoe hanteer ik op een juiste wijze de nieuwe bestemmingscodes vanaf 2015?
De indeling bij het kenmerk Bestemming uitstroom werknemersbestand is miv 1-1-2015 veranderd: de nummering en gedeeltelijk de inhoud van de codes is veranderd.
Bij het gebruik van de Bestemmingscodes is de instructie dat de volgende codes bij voorkeur gebruikt moeten worden, omdat zij de meeste beleidsinformatie opleveren:
Code 1 Reguliere arbeid
Code 2 Wsw-plaatsing andere gemeente/Sw-bedrijf/WGR-verband
Code 4 Participatievoorziening (gesubsidieerde arbeid niet zijnde Begeleid werken!)
Code 5 AWBZ-voorziening
Code 6 Uitkering ziekte of arbeidsongeschiktheid (Wajong, WIA)
Code 7 VUT of pensioen
Code 9 Overlijden
Code 10 Uitkering WWB, WW
Indien bovenstaande codes niet van toepassing zijn, kan gekozen worden voor:
Code 8 Overige bestemmingen
Code 11 Onbekend
Voor degenen die uitstromen uit het werknemersbestand en op basis van een geldige indicatie terugkomen in de statistiek is bestemming code 3 “Geen Wsw-plaatsing” (de oude code "terugkeer wachtlijst Wsw") absoluut NIET noodzakelijk aangezien alle uitstroom (behalve pensioen of overlijden) in principe terugkomt met een Geen_plaatsingsrecord. Code 3 "Geen Wsw-plaatsing" is een restcategorie voor als er bijvoorbeeld geen andere Bestemmingscode ingevuld kan worden of voor een niet aansluitende overgang naar een nieuw dienstverband, waarbij er enige tijd (minimaal 2 dagen) tussen einde vorige dienstverband en begin nieuw dienstverband zit.

37) Hoe ligt het verband tussen Reden ontslag en Bestemming na uitstroom uit het werknemersbestand?
Er bestaat vaak een verband tussen de Reden Ontslag en de Bestemming uitstroom. Zo leidt:
Reden ontslag code 8 (= overlijden, twee jaar ziek, pensioen) tot de Bestemming code 6 (uitkering ziekte of arbeidsongeschiktheid, Wajong, WIA), code 7 (= pensioen) of code 9 (= overlijden);
Reden ontslag code 4 (eigen verzoek) veelal tot Bestemming code 1 (uitstroom naar regulier werk) of code 2 (verhuizing naar andere gemeente of WGR-verband / Sw-bedrijf);
Reden ontslag code 6 (afloop proeftijd) of code 7 (aflopen overeenkomst voor bepaalde tijd) meestal tot Bestemmingscodes van een uitkeringssituatie: code 10 (uitkering WWB, WW e.d.) of code 6 (uitkering ziekte of arbeidsongeschiktheid, Wajong, WIA);
Reden ontslag code 3 (betrokkene behoort niet langer tot de doelgroep) veelal tot Bestemming code 5 (AWBZ-voorziening) of code 6 (uitkering ziekte of arbeidsongeschiktheid, Wajong, WIA) ingeval van indicatie Onderzijde of ingeval van indicatie Bovenzijde tot Bestemming code 10 (uitkering WWB, WW e.d.) of code 1 (uitstroom naar regulier werk).

38) Hoe ziet de methodiek eruit voor de vulling van het kenmerk “Betalende gemeente” in de Wsw-statistiek?
In 2016 is de methodiek verandert: vanaf 1-1-2016 (de Wsw-statistiek 2016-1 per 1-7-2016) wordt als Betalende gemeente dezelfde gemeente geregistreerd als daarvoor, indien het een gemeente betreft die deel uitmaakt van het WGR-verband / Sw-bedrijf: dit is de gemeente met wie de Wsw-er een dienstverband heeft.
Echter t.a.v. de "buitengemeenten" wordt als Betalende gemeente (werkgemeente) geregistreerd een door het WGR-verband / Sw-bedrijf aangewezen centrumgemeente, die deel uitmaakt van het WGR-verband / Sw-bedrijf. Gemeenten die geen deel uitmaken van het WGR-verband / Sw-bedrijf worden niet meer geregistreerd als Betalende gemeente (natuurlijk wel als woongemeente / huidige gemeente van inschrijving).
Voor het 2e halfjaar 2017 is de instructie dat zoveel mogelijk dezelfde methodiek gehanteerd wordt als in het 1e halfjaar 2017 bij het vaststellen en registreren van de betalende gemeenten.

39) Per 1-1-2017 is de verdeelsystematiek van het Wsw-budget verandert: wat is de inhoud van het verdeelmodel van de Wsw?
Bij de invoering van de Participatiewet en de invoering van het nieuwe verdeelmodel voor de Wsw, zijn door SZW en VNG bestuurlijke afspraken gemaakt. Deze betroffen onder meer de invoering van het begrip "betalende gemeente" in de Wsw-statistiek. Dit kenmerk zal voor het eerst een rol gaan spelen bij de verdeling van het budget voor 2017. De nieuwe verdeling zal voor het eerst bekend gemaakt worden bij de meicirculaire 2017.
In het document Invoering begrip betalende gemeente als basis voor verdeling Wsw-middelen valt alles hierover te lezen.
Daarnaast is er een document opgesteld met met vragen en antwoorden aangaande dit nieuwe verdeelmodel. Ook hierin wordt veel verduidelijkt over het nieuwe verdeelmodel.

40) Wat zijn de afspraken gemaakt tussen SZW, VNG en Cedris aangaande de Wsw-statistiek (2016 en) 2017?
In nauw overleg en samenspraak tussen SZW, VNG, Cedris en Panteia is zijn de afspraken over het nieuwe verdeelmodel, de berekening van de realisatiecijfers als basis voor de verdeling van het Wsw-budget en de Wsw-statiek 2017 vastgelegd in de communicatie Wsw-statistiek die als toelichting bij de realisatiecijfers en de meicirculaire is verschenen. Ook hoort hier de berekeningswijze van de gemiddelde realisaties bij.

41) Hoe zien de veranderingen in de Wsw-statistiek 2017 eruit voor wat betreft de toevoeging van de 6 nieuwe kenmerken?
Het doel van de wijzigingsdatums is niet allemaal hetzelfde en daarom verschilt ook de toepassing enigszins.
Aan wijzigingen in de Betalende gemeente, de detacheringsvorm, de omvang van het dienstverband en in de situatie waarin geen sprake meer is van uitbetaling van loon met behoud van dienstverband, is een datumveld gekoppeld (6 in totaal) om het moment van de wijziging in de statistiek te registreren.
De wijzigingsdatums, op detachering na, zijn bedoeld voor de jaarlijkse gemiddelde realisatieberekeningen om wijzigingen in betalende gemeente, contractomvang en stopzetting loondoorbetaling nauwkeuriger te kunnen vaststellen per dienstverband binnen een halfjaar. Voorheen gold een wijziging in één van deze kenmerken meteen voor een heel halfjaar omdat het ging om de situatie op de laatste dag van het halfjaar. Het doel is om binnen het halfjaar van meting te kunnen bepalen hoeveel maanden de oude situatie op de beginstand geldt en hoeveel maanden de nieuwe situatie vanaf de wijzigingsdatum geldt.
De wijzigingsdatums hebben betrekking op een wijziging ten opzichte van de beginstand van het huidige halfjaar (1e of 2e halfjaar 2017).
Bij een wijziging tussen de halfjaren van meting, dus tussen de eindstand van het ene halfjaar en de beginstand van het volgende halfjaar, vindt er geen wijziging binnen het halfjaar plaats: het ene halfjaar situatie 1 en het andere halfjaar situatie 2. Hier is geen wijzigingsdatum bij nodig. Het gaat om de wijziging die plaatsvindt op de wijzigingsdatum t.o.v. de beginstand (op 1-1-2017).
Het gebruik van de wijzigingsdatums “Datum wijziging Betalende gemeente” (DATBTGEM), “Datum wijziging contracturen per week” (DATOMVDB en DATOMVBW) en “Datum stopzetting uitbetaling loon” (DATLNDB en DATLNBW) is als volgt:
- invullen als er zich binnen het halfjaar binnen hetzelfde dienstverband een wijziging voordoet. De wijzigingsdatum ligt dus altijd in het halfjaar van meting (2017-1, 2017-2). - GEEN wijzigingsdatum 1-1-2017 of 1-7-2017 invullen: dat is namelijk geen wijziging binnen het halfjaar, maar tussen halfjaren.
- GEEN wijzigingsdatum invullen bij een nieuw dienstverband of bij een overgang van het ene dienstverband naar het andere. Alleen wijzigingsdatums invullen bij een doorlopend dienstverband. Ingeval van einde dienstverband en aansluitend een nieuw dienstverband (bijv. dienstbetrekking naar arbeidsovereenkomst begeleid werken) wordt GEEN wijzigingsdatum geregistreerd.
- Wijzigingsdatum heeft in 2017-1 een waarde vanaf 2-1-2017 tot en met 30-6-2017; in 2017-2 vanaf 2-7-2017 t/m 31-12-2017.
- Wijzigingsdatum ligt NA de begindatum van het dienstverband en ligt VOOR de einddatum van het dienstverband.
In alle gevallen waarin een wijzigingsdatum is ingevuld, wordt in de berekeningen de waarde van het vorige halfjaar overgenomen. Dit is complex en daarom dus het dringende verzoek geen overbodige wijzigingsdatums (1-1-2017, 1-7-2017 of begindatum dvb of bw) aan te leveren.
Door toevoeging aan de statistiek van de kenmerken datum wijziging overeengekomen aantal contracturen en datum stopzetting uitbetaling loon ('slaper') kan nu met een datum aangeven worden wanneer binnen het halfjaar en binnen het dienstverband de verandering in het aantal contracturen of in de loondoorbetaling heeft plaatsgevonden anders dan op de laatste dag van de meetperiode. Hierdoor moeten deze wijzigingen onderbouwd worden met een datum binnen die meetperiode en binnen het dienstverband. Een ander aantal contracturen of een stopzetting van de loondoorbetaling die bij het ingaan van de meetperiode plaatsvinden of op de begindatum van het dienstverband, worden voor het hele halfjaar en de hele duur van het dienstverband geregistreerd zonder wijzigingsdatum.
Voor de nauwkeurige berekening van de realisatie over een (half)jaar is bij wijziging altijd een wijzigingsdatum noodzakelijk binnen het halfjaar en binnen het dienstverband: 2-7-2017 t/m 31-12-2017, 2-1-2018 t/m 30-6-2018.
Aangezien het een wijziging van contracturen of loonstopzetting betreft binnen het lopende dienstverband, kan de wijzigingsdatum contracturen en loonstopzetting nooit gelijk zijn aan de begindatum van het dienstverband of aan de einddatum.De wijzigingsdatums worden ingevuld bij een doorlopend dienstverband. Ingeval van einde dienstverband en aansluitend een nieuw dienstverband (bijv. dienstbetrekking naar arbeidsovereenkomst begeleid werken) wordt geen wijzigingsdatum geregistreerd, maar volstaan einddatum ‘oude’ dienstverband en begindatum ‘nieuwe’ dienstverband.

De wijzigingsdatum voor detacheringen is in de statistiek opgenomen voor de aanlevering van de statistiekgegevens aan UWV voor het doelgroepregister. Hierin verandert de Grondslag van iemand bij een wijziging van detachering (individueel of groep) naar "Geen detachering" of omgekeerd. Hiervoor zijn eind- en begindatum nodig, die geen onderdeel uitmaakten van de statistiek, maar bij de aanlevering aan UWV door Panteia worden aangebracht (op het einde en het begin van een halfjaar), want de detacheringscode gold ook weer voor een heel halfjaar terwijl de detachering binnen het halfjaar kon veranderen. Hiervoor is de wijzigingsdatum toegevoegd.
Het gebruik van de wijzigingsdatum “Datum wijziging Detachering” (DATDETA) is als volgt:
- invullen als er zich binnen het halfjaar binnen dezelfde dienstbetrekking een wijziging voordoet. De wijzigingsdatum ligt dus altijd in het halfjaar van meting (2017-1, 2017-2).
- Wijzigingsdatum 1-1-2017 of 1-7-2017 wel invullen: voor een wijziging op de grens van het halfjaar is de eind- en begindatum van de detachering wel nodig; deze zit niet op een andere wijze in de Wsw-statistiek.
- GEEN wijzigingsdatum invullen bij een nieuwe dienstbetrekking of bij een overgang van Begeleid werken naar een dienstbetrekking. Alleen wijzigingsdatums invullen bij een doorlopende dienstbetrekking. Ingeval van einde begeleid werken en aansluitend een dienstbetrekking wordt GEEN wijzigingsdatum geregistreerd.
- Wijzigingsdatum heeft voor 2017-1 een waarde 1-1-2017 tot en met 30-6-2017; voor 2017-2 1-7-2017 t/m 31-12-2017.
- Wijzigingsdatum ligt NA de begindatum van de dienstbetrekking en ligt VOOR de einddatum van de dienstbetrekking.
In alle gevallen waarin onterecht een wijzigingsdatum is ingevuld, wordt een detacheringsvorm beëindigd en een nieuwe gestart. Daarom dus het dringende verzoek geen overbodige wijzigingsdatum (begindatum dbt, o.i.d.) aan te leveren.



Last update site juli 2019